Bronteksten over de tijd van

Wereldoorlogen (1900-1950)


Adolf Hitler over Lebensraum

 

(Mein Kampf, 1924)

'Wanneer de nationaal-socialistische beweging zich werkelijk wil wijden aan de vervulling van een grote historische taak voor ons volk, dan moet zij, doordrongen van het inzicht in, en vol verdriet over zijn huidige werkelijkheid op aarde, stoutmoedig en doelbewust de strijd aanbinden tegen de doelloosheid en de impotentie, welke tot dusverre de buitenlandse politiek van het Duitse Rijk leidden. Zij moet dan, zonder ook maar in het minst rekening te houden met "tradities" en "vooroordelen", de moed vinden, om ons volk en daarmede de kracht van dat volk, te bundelen voor de opmars langs die weg, welke ons redt uit de benauwing van ons huidig leefgebied en welke ons daarmede tevens voorgoed verlost van het gevaar, dat wij op deze aarde zouden moeten ondergaan, of gedoemd zouden zijn, als slavenvolk in dienst van anderen te moeten staan.De nationaal-socialistische beweging moet trachten, aan deze wanverhouding tussen ons zielental en ons grondgebied – grondgebied is hier opgevat als voedingszekerheid, en als steunpunt voor onze politieke macht – tussen ons groot historisch verleden en de uitzichtloosheid van onze huidige machteloosheid, een einde te maken.Zij mag daarbij nooit uit het oog verliezen, dat wij als behoeders en vertegenwoordigers van de hoogste mensensoort op aarde tevens de hoogste verplichting dragen.Alleen een levensruimte van voldoende afmetingen kan een volk zijn vrijheid van bestaan waarborgen.Daarbij mag men de grootte van die noodzakelijke afmetingen van ons woongebied niet alleen beoordelen maar de eisen van het heden, en zelf niet eens naar de grootte van de bodemopbrengst per hoofd der bevolking. Want reeds in het eerste deel zette ik onder het hoofd "Duitse bondgenootschapspolitiek voor de oorlog" uiteen, dat het grondgebied van een staat niet alleen betekenis bezit als directe voedingsbron der bevolking, maar ook nog een strategische. Wanneer een volk zijn voeding als zodanig gewaarborgd heeft door de grootte van zijn grondgebied, dan is het toch ook nog noodzakelijk, om daarnaast nog zorg te dragen voor de beveiliging van dat grondgebied zelf. En die beveiliging moet worden gezocht in de algemene politieke betekenis van de staat, een factor, welke op zijn beurt weer in zeer belangrijke mate wordt bepaald door overwegingen van strategische aard.'

 

Hitler over de Joden

 

(Mein Kampf, 1924)

'De joodse leer van het marxisme wijst het aristocratische principe der natuur af en zet op de plaats van het eeuwige voorrecht der kracht en der sterksten, de massa van het getal en haar dood gewicht. Zij ontkent hierdoor in de mens de waarde der persoonlijkheid, bestrijdt de betekenis van volk en ras, en onttrekt daarmede aan de mensheid de grondslag van haar bestaan en haar cultuur. Indien deze leer tot grondprincipe van het heelal werd, dan zou dit het einde betekenen van iedere denkbare orde. En zoals in dit grootste ons bekende organisme, een dergelijke wet onvermijdelijk tot de chaos zou leiden, zo zou zij op de aarde niets anders tengevolge kunnen hebben dan de vernietiging van het leven op deze planeet. Indien de jood met zijn marxisme de overwinning behaalt op de volkeren dezer wereld, dan zal een krans, gevlochten uit de lijken der gehele mensheid, zijn kroon zijn; dan zal deze aarde wederom, evenals voor miljoenen jaren, van ieder menselijk leven ontdaan, zwijgend haar weg door de ether gaan.Want de natuur, die eeuwig is, wreekt onverbiddelijk iedere inbreuk op haar geboden. Daarom is het mijn overtuiging, dat ik werk in de geest van de almachtige Schepper: want door mij te verweren tegen de jood strijd ik voor het werk des Heren.'

 

Adolf Hitler over propaganda:

 'Iedere propaganda dient populair te zijn en haar geestelijk niveau af te stemmen op het begripsvermogen van de meest achterlijken onder diegenen tot wie zij van plan is zich te richten. Daarom moet haar peil, zuiver intellectueel gezien, des te lager worden gehouden, naarmate de massa die men wil bereiken, groter is. Het bevattingsvermogen van de grote massa is slechts zeer beperkt, het begrip gering, en de vergeetachtigheid groot. Gezien deze feiten dient iedere propaganda, die tot resultaten wil leiden, zich tot enkele punten te beperken en deze punten bij wijze van leuzen te blijven gebruiken en toepassen, totdat men er zeker van is dat absoluut iedereen aan een dergelijke leuze de betekenis hecht die men er aan gehecht wil zien.'

 

Bronnen:

P. Morren e.a., De Tweede Wereldoorlog. Een keerpunt in de geschiedenis. (Brussel, 1985).

C. Zentner, Adolf Hitlers Mein Kampf. Ungekürtzte sonderausgabe (München 1998).

 

Adolf Hitler zijn machtsovername in wetten:

 

Onderdelen van 'das Gesetz zum schutz des Reiches':

 

(wet van 24 maart 1933)

Art 1 Buiten de wetgevende procedure, zoals die in de grondwet wordt bepaald, is de Rijksregering ook gemachtigd rechtstreeks wetten uit te vaardigen.

Art 2 De nationale wetten die door de Rijksregering worden uitgevaardigd mogen afwijken van de grondwet..

(wet van 14 juli 1933)

Art 1 De Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij is de enige politieke partij in Duitsland.

Art 2 Wie probeert een andere politieke partij in stand te houden of er een nieuwe op te richten zal gestraft worden.

 

Adolf Hitler: oorlogsverklaring aan Polen (begin Tweede Wereldoorlog)

 

[…]‘Polen heeft vannacht, voor de eerste keer, op ons eigen territorium, reguliere soldaten laten schieten. Sinds vijf uur vijfenveertig wordt nu teruggeschoten (…) En van nu af, wordt bom met bom vergolden. Wie met gif strijd wordt door gifgas bestreden. Wie zelf zich van de regels van humane oorlogsvoering verwijderd, kan van ons niet anders verwachten, dan dat we dezelfde stap nemen. Ik zal deze strijd tegen iedereen zo lang voeren, tot de veiligheid van het Rijk en zijn rechten verzekerd zijn.

[…] De neutrale staten hebben hun neutraliteit bevestigd zoals wij hen deze, al eerder garandeerden. Wij zullen over deze neutraliteit pijnlijk nauwkeurig waken.

[…] Mocht mij, in deze strijd iets gebeuren, dan is mijn eerste opvolger partijgenoot Goering.’

 

Rede in de Kroll Opera te Berlijn, 1 september 1939. (vert.)

 

Bron: http://www.nationalsozialismus.de/dokumente/textdokumente/adolf-hitler-rede-vor-dem-reichstag-01091939

 

Aprilthesen van Lenin

 

(de Pravda, 7 april 1917)

'De eigen aard van de huidige situatie in Rusland bestaat in de overgang van de eerste etappe van de revolutie, die als gevolg van de gebrekkige organisatie van het proletariaat de burgerij aan de macht bracht, naar de tweede etappe, die de macht in de handen van het proletariaat en van de boerenbevolking moet leggen.Geen parlementaire republiek – die terugkeer ware een stap achteruit – maar een republiek van de sovjets van arbeidsafgevaardigden, dagloners en landbouwers van het hele land, van hoog tot laag.Verkiesbaarheid en de mogelijkheid tot terugroeping op elk ogenblik van alle ambtenaren: hun lonen moeten niet hoger liggen dan het gemiddelde loon van een goede arbeider.In het agrarisch programma het zwaartepunt terug bij de sovjets van plattelandsdagloners leggen. Inbeslagname van alle domeinen van de grootgrondbezitters. Nationalisatie van alle domeinen van grootgrondbezitters. Nationalisatie van alle gronden in het land: de grond worden ter beschikking gesteld van de plaatselijke sovjets van afgevaardigden van plattelandsdagloners en van landbouwers.Onmiddellijke fusie van alle banken van het land in één enkele nationale bank, gesteld onder de controle van de sovjet van arbeidsafgevaardigden.Niet de instelling van het socialisme als onze onmiddellijke taak, maar eenvoudig de onmiddellijke overgang van de controle van de maatschappelijke productie en van de verdeling van de producten in handen van de sovjet van arbeidsafgevaardigden.'

 

bron: H. Van de Voorde, ‘De staat ten dienste van persoon en gemeenschap?’ in: Reeks historische units. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel (Apeldoorn, 1976).

 

Balfour-verklaring (1917)

 

Minister van Buitenlandse Zaken, 2 november 1917

 

Geachte Lord Rothschild,

Het doet mij veel genoegen U, uit naam van Zijner Majesteits regering, de volgende verklaring van instemming met de joods-zionistische doelstellingen te overhandigen, die voorgelegd is aan en goedgekeurd is door het kabinet.

'De regering van Zijne Majesteit staat gunstig tegenover de stichting in Palestina van een nationaal tehuis voor het joodse volk en zal haar beste krachten inspannen om de verwezenlijking van dit doel te vergemakkelijken, waarbij duidelijk moet zijn dat niet s mag worden gedaan dat schadelijk zou kunnen zijn voor de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina of voor de rechten en politieke status van joden in welk land dan ook.'

Ik zou U dankbaar zijn indien U deze verklaring ter kennis zoudt willen brengen van de Zionistische Federatie.

 

Hoogachtend, Arthur James Balfour.

 

Betogingen in Milaan (20 mei 1940 in het dagblad de Noord-Ooster)

 

'Italië brengt opnieuw zijn eischen naar voren.

Groote betoogingen ten gunste van As te Milaan.

Te Milaan hebben gisteren groote betoogingen plaatsgevonden ter gelegenheid van den verjaardag van het Duitsch-Italiaansche bondgenootschap. De Italiaanse minister van buitenlandsche zaken, graaf Ciano, zeide in een redevoering, dat Italië niet ter zijde kan staan in de belangrijke kwesties, die thans Europa beheerschen. Als de tijd daar is, zal Rome zijn woord te zeggen hebben. het Italiaansche volk ziet thans zijn nieuwe taken onder oogen en als de tijd rijp is, zal de Duce het wachtwoord geven, hij, die de eenige leider van het italiaansche volk is in vrede en oorlog en wiens naam synoniem is met zekerheid, doortastendheid en roem. Milaan zal haar post in de voorhoede wederom opeischen en zij zal gereed zijn, evenals het Italiaansche volk gereed is in wapens en vooral in harten. graaf Ciano werd luide toegejuicht en door de straten van de stad werden groote borden rondgedragen met opschriften als ,,Leve den Duce'', ,,Leve Italië'', doch tevens met ,, Leve Hitler'' en ,,Lee Duitschland''. Op aanplakbiljetten welke geplakt waren op de muren van de huizen, werden de Italiaansche eischen naar voren gebracht ten aanzien van Malta, Tunis en Corsica.'

 

Boecharin tijdens een showproces (1938)

 

Aan het eind van het proces mocht Boecharin een slotwoord uitspreken. Een gedeelte daarvan:

 

‘Ik zal nu over mijzelf spreken, over de redenen voor mijn berouw. Natuurlijk, ik moet toegeven dat het belastende bewijsmateriaal een zeer belangrijke rol speelt. Drie maanden lang heb ik geweigerd iets te zeggen. Toen begon ik verklaringen af te leggen. Waarom? Omdat ik tijdens mijn gevangenschap mijn hele verleden anders was gaan bekijken. Want als je jezelf afvraagt “ als ik moet sterven, waar sterf ik dan voor?”, dan doemt ineens met ontstellende duidelijkheid een totaal zwarte leegt voor je op. Van de andere kant krijg je al het positieve dat je in de Sovjet-Unie tegenstraalt, in je geest nieuwe dimensies. Uiteindelijk heeft dat me ertoe gebracht door de knieën te gaan voor de Partij en het land. Mijn contrarevolutionaire bondgenoten, met mij aan het hoofd, hebben inderdaad geprobeerd Lenin's werk, dat nu met zo’n geweldig succes door Stalin wordt voortgezet, te vernietigen.’

 

Brief van een Poolse immigrant in de Verenigde Staten

 

Een brief van een Poolse immigrant

‘Ik ben vier maanden in dit land (van 14 mei 1913 – Noniton – Antwerpen). Ik ben poolse man. Ik wil zijn amerikaanse burger en kreeg hier eerste papier in 12 juni. Maar mijn vrienden zijn poolse mensen – ik moet met hen leven – ik werk in de schoenwinkel met poolse mensen – ik ben altijd met hen – thuis – in de winkel – overal.

Ik wil leven met amerikaanse mensen, maar ik ken niemand van amerikanen. Ik ga 4 keer naar leraar en moet betalen $2 per week. Ik wil in engels kosthuis wonen, maar ik kon niet, omdat ik verdien slechts $5 of 6 per week en wanneer ik betaal leraar $2, heb ik nog $4 – $3- en nu is engels kosthuis te duur voor mij. Betere baan krijgen is zeer moeilijk voor mij, omdat ik engels niet goed spreek en ik niet kan verstaan wat zij tegen mij zeggen. De leraar leer mij – maar als ik thuiskom, moet ik pools praten en in de winkel ook. Op deze manier kan ik vele jaren in uw land leven – zoals mijn vrienden – en nooit spreken – schrijven goed engels en nooit goed amerikaans burger zijn. Ik ken hier vele personen, zij leven hier 10 of meer jaren, en zij zijn geen burgers, zij spreken engels niet goed, zij weten niets van aardrijkskunde en geschiedenis van dit land, zij kennen de grondwet van Amerika niet, – niets. Ik wil niet zijn zoals zij, ik wilde dat zij mij hielpen met engels – zij konden niet – omdat zij niets wisten. Ik wil van hen weggaan. Maar waar? Niet op het platteland, want ik wil in de stad gaan, gratis avondscholen en leren. Ik zoek hulp. Als iemand mij een andere baan kan geven tussen amerikaanse mensen, help me met hen leven en leer engels – en vertel me hoe ik kan snel eren – het zou zeer, zeer goed voor mij zijn. Misschien heb je iemand hier, hij kan me helpen?

Als je mij kan helpen, ik zeg asjeblief. Ik schreef deze brief alleen en niet goed, ik weet – maar ik hoop dat je begrijpt wat ik bedoel.

Neem me niet kwalijk,

F.N.’

 

Bijzonder Vrijwillige Landstorm in 1918

 

Eén van de initiatiefnemers van de Bijzonder Vrijwillige Landstorm tijdens de vergissing van Troelstra (1918)

 

Mr. Dr. H.H.A. van Gybland Oosterhoff schreef:

'Het paleis in het Noordeinde staat om zoo te zeggen voor iedereen open, en de Koningin is niet de persoon om in deze omstandigheden Den Haag te verlaten. Een optocht van het gepeupel onder leiding van Wijnkoop zou noodlottige gevolgen kunnen hebben. Men meent te weten, dat behalve de gewone politie-veiligheidsmaatregelen geen verdere voorzieningen van eenige beteekenis zijn getroffen. Deze politiemaatregelen, meent men, – die volkomen afdoende zijn voor eventueele hongeropstootjes – zullen geheel onvoldoende blijken, wanneer eventueele relletjes een antimonarchaal karakter mochten aannemen. De politie is toch grootendeels ook socialist. Op militairen steun valt niet te rekenen, omdat in elk geval bij elke betoging vele soldaten (verlofgangers) aanwezig zullen zijn, en militairen reeds in gewone omstandigheden niet tot optreden tegen andere militairen te krijgen zijn.'

 

Chamberlain over het Brits imperialisme 1895

 

‘Ons nationaal inkomen berust op onze industriële mogelijkheden en productie. Wij zijn geen echt agrarisch land: dat kan nooit de belangrijkste bron van onze welstand zijn. Wij zijn een groot industrieel land. Daaruit volgt dat de handel binnen ons wereldrijk voor ons huidig welslagen absoluut noodzakelijk is. Zo deze handel achteruit zou gaan, of alleen maar zou ophouden in verhouding tot onze bevolking te stijgen, dan evolueren wij tot een staat van vijfde klasse’.

 

bron: X. Adams en R. Geivers, Geschiedenis 5. (Antwerpen, 1993).

 

 

Churchill en Roosevelt corresponderen tijdens de Tweede Wereldoorlog

 

Twee fragmenten uit een geheime correspondentie tussen Churchill (Engeland) en Roosevelt (VS) tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Churchill aan Roosevelt (1 april 1942):

'Alles hangt nu af van de strijd tussen de Russen en de Duitsers. We doen alle om te helpen. Er is weer een konvooi schepen onderweg naar Moermansk met oorlogsmaterieel. Stalin, de leider van de Sovjetunie, is er erg blij mee.

 

Roosevelt aan Churchill (3 april 1942):

'De Russen doden op dit moment meer Duitsers en vernietigen meer materiaal dan jij en ik voor elkaar krijgen. Ik steun je. Ga zo door en veel succes!'

 

Vrij naar: F.L. Loewenheim, Roosevelt and Churchill, Their secret wartime correspondance (1975).

 

Churchill over Europese samenwerking

 

Winston Churchill over Europa 19 september 1946 te Zürich (Zwitserland):

 

‘Wat Europa nodig heeft, is een middel dat, als een wonder, het totale schouwspel [van de naoorlogse situatie] zal transformeren en geheel Europa binnen enkele jaren net zo vrij en gelukkig zal maken als Zwitserland vandaag de dag. We moeten een soort Verenigde Staten van Europa creëren’.

 

Churchill: Redevoering 'Onze taak' (1940)

 

'Tot het Huis zou ik willen zeggen wat ik reeds gezegd heb tegen de leden van de regering: Ik kan u slechts bloed, inspanning, zweet en tranen bieden. Voor ons ligt een beproeving van de allerergste soort. Voor ons liggen vele, vele maanden van strijd en lijden. U vraagt wat onze taak is? Ik zeg u: oorlog voeren te land, ter zee en in de lucht, met al onze vermogens en met alle kracht die God ons geven zal; oorlog tegen een monsterlijke tirannie, die in de lange, donkere, jammerlijke geschiedenis van menselijke misdaad zijn gelijke niet vindt. Dat is onze opdracht. U vraagt wat ons doel is? Ik kan u met ̩̩n woord antwoorden: Overwinnen Рoverwinnen ten koste van alles, overwinnen ondanks alle verschrikking, overwinnen, hoe lang en moeilijk de weg naar de victorie ook moge zijn. Want zonder overwinning hebben wij geen toekomst. Moge het goed beseft worden: geen toekomst voor het Britse rijk, geen toekomst voor alles waarvoor het Britse rijk heeft gevochten, geen toekomst voor de levensdrang, die de mens sedert eeuwen voortstuwt op de weg naar zijn doel. Maar ik neem mijn taak op me met geestdrift en hoop. Ik ben ervan overtuigd dat ons het bereiken van het gestelde doel niet zal worden onthouden.'

 

Lagerhuis, 13 mei 1940

 

Churchill: 'IJzeren Gordijn toespraak' in Fulton (5 maart 1946)

 

'Van Stettin aan de Oostzee tot Triëst aan de Adriatische Zee, is een ijzeren gordijn neergelaten dwars door het Europese continent. Achter die lijn liggen alle hoofdsteden van de oude staten van Centraal en Oost-Europa: Warschau, Berlijn, Praag, Wenen, Boedapest, Belgrado, Boekarest en Sofia. Al deze beroemde steden en de bevolkingen erom heen liggen binnen de Russische sfeer en zijn alle in de en of andere vorm onderworpen niet alleen aan de Sowjet-Russische invloed maar in grote en steeds grotere mate aan directe beheersing door Moskou. Alleen Athene, met zijn roemrijk verleden, kan vrij beslissen over zijn toekomst in verkiezingen onder Brits, Amerikaans en Frans toezicht. de door Rusland gedomineerde regering van Polen is aangemoedigd om enorme en ontoelaatbare inbreuken te maken op Duitsland en massale verdrijving van miljoenen Duitsers op een afschuwelijke en ongekende schaal vinden nu plaats. De communistische partijen, die heel klein waren in deze oostelijke staten van Europa, zijn in aanzien en macht verheven in geen verhouding tot hun getal en trachten overal totalitaire macht te verkrijgen. Politie-regeringen hebben bijna overal de overhand, en tot dusver bestaat er, behalve in Tsjechoslowakije, geen ware democratie.'

 

Drees over de 'overgangsfase'

 

'De tijd onmiddelijk na de bevrijding is, wat het parlement betreft, een heel bijzondere en veel omstreden periode geweest. Het oorlogskabinet Gerbrandy werkt in een parlementloos tijdperk. Het riep het parlement ook niet bijeen na de bevrijding. Wás er nog een parlement? Het kabinet-Gerbrandy stelde zijn portefeuilles ter beschikking en liet dit probleem over aan het nieuw optredende kabinet […]

De kamerleden hadden zich echter in het algemeen op het standpunt gesteld dat ze lid bleven zolang geen nieuwe verkiezingen hadden plaatsgehad.'

 

Uit: Willem Drees sr., Het Nederlandse Parlement. Vroeger en Nu.

 

Drooglegging in de Verenigde Staten

 

'In 1919 werd Amerika drooggelegd. Een eeuw lang hadden idealistische hervormingsgezinden gevochten voor deze droom: een land, waar de mensen niet meer verslaafd konden raken aan het genot van bedwelming, en nu lukte het hen waarachtig, om hun wil op te leggen aan rest van de maatschappij. Er zat iets groots in, maar ook iets huichelachtigs.'

 

J.W. Schulte Nordholt, De Verenigde Staten.

 

Gandhi over zijn gevangenschap (1922)

 

'Wij zoeken gevangengenomen te worden, omdat de zogenaamde vrijheid slavernij is. Wij willen de regering omverwerpen. Wij wensen haar te dwingen zich te onderwerpen aan de wil van het volk.'

 

Geboorte prinses Beatrix (31 januari 1938)

 

Ik zal handhaven

Een prinses geboren!

Vreugde is er in het land alom.

De blijde tijding, uit Soestdijk’s lust-

Hof, heden hebben tot de volken van Nêêrlands

Rijksgebied gericht, trilt in de harten.

Het feestgedruisch over Prinses Juliana’s verloving en huwelijk is nog nauwelijks weggestorven, of opnieuw beieren de klokken, weerklinken de saluutschoten en herhaalt zich de jubel.

Een Oranje geboren!

Het doorluchtig Huis mag nieuwe jaren aan zijn bestaan zien toegevoegd.

In de vrouwelijke linie vernieuwde God den zegen.

Elke vrees, dat de band die in den eersten Willem tusschen Oranje en het volk van Nederland gelegd is, zou afknappen, werd beschaamd.

’t Is trouw, al wat Hij ooit beval.’’

Rijke taal spreekt de geboorte van dit Prinsenkind.

Het verleden wordt er door in de herinnering teruggeroepen.

Immers het voortbestaan onzer dynastie is maar niet iets toevalligs.

Daarin zien wij Gods hand.

Hij was het, Die aan Juliana van Stolbergs zonen in het hart gaf het voor de zaak van deze verdrukte landen op te nemen. Hij was het, Die den Prins van Oranje maakte tot den kampioen voor vrijheid en recht.

Toen Oranje in 1572 verslagen en ontmoedigd dezen bodem opnieuw betrad, kwam hij, gelijk hij schreef, om in Holland zijn graf te vinden.

Op dat tijdstip brak het uur der nationale geboorte aan.

Van dit uur af werden Oranje en Nederland een.

 

Gedicht over de vlucht van koningin Wilhelmina

 

Neen, 't was geen vlucht die u deed gaan

maar volgen, waar God riep

'k vraag niet, wat in u is doorstaan,

een strijd, hoe zwaar, hoe diep.

Wij knielen naast en met u neer,

tot God de blik, de hand:

Geef Neerland aan Oranje weer,

Oranje aan Nederland.

En kome dan wat komen mag,

w'aanbidden, zwijgen stil,

de nacht zij zwart, omfloerst de dag,

geschiede, Heer uw wil!

 

Geschreven door ds. Welter, uit: L. de Jong, de Bezetting I. Een weergave in boekvorm van de uitzendingen der Nederlandse Televisie Stichting over Nederland in de Tweede Wereldoorlog, 1965, 50.

 

Gedicht over concentratiekamp Mauthausen

 

In het concentratiekamp Mauthausen schreef de Griekse jood Iakov Kambanellis een dagboek. Met daarin een aantal gedichten. De componist Mikis Theodorakis maakte uit deze gedichten de Mauthausen Cyclus, die wereldberoemd werd. Het eerste lied heeft een oeroude dialoogvorm

 

Wat mooi is mijn lieveling

Met haar gewone jurkje aan,

Met een kammetje in haar haar.

Niemand wist dat ze zo mooi is.

Niemand wist dat ze zo mooi is,

Niemand wist dat ze zo mooi is.

Meisjes van Auschwitz.

Meisjes van Dachau,

 

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?

Wij hebben haar gezien, op een lange reis.

Haar jurkje had ze niet meer,

En het kammetje ook niet meer.

Wat mooi is mijn lieveling,

De grootste schat van haar moeder,

De oogappel van haar broer,

Niemand wist dat ze zo mooi is,

Niemand wist dat ze zo mooi is,

Niemand wist dat ze zo mooi is.

Meisjes van Mauthausen,

Meisjes van Belsen,

 

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?

Hebben jullie mijn lieveling niet gezien?
Wij hebben haar gezien, op een ijskoud plein,
Met een nummer op haar blanke arm,
Met een gele ster op het hart.

 

George Kennan: Containmentpolitiek (1947)

 

'Rusland is door de revolutie van 1917 het centrum van de communistisch-marxistische partijen in heel de wereld geworden. Deze partijen streven naar een revolutionaire maatschappij verandering waarin het individu ten achter zal staan bij de gemeenschap. De productie van goederen zal het centrale punt in deze gemeenschap zijn, die zich moet richten op het algemeen welzijn. Particuliere belangen in het productiestelsel achten deze [partijen verderfelijk: zij zullen leiden tot onderdrukking, oorlog en imperialisme. Rusland zal in de komende wereldrevolutie de stuwkracht zijn en er zal geen vrede kunnen bestaan totdat de gehele kapitalistische maatschappij ten onder is gebracht. De Sovjetleiders streven daarom naar de gewelddadige omverwerping van de bestaande ordening. Zij willen de wereldrevolutie desnoods met geweld doorvoeren. Daarom zijn zij zelf imperialistisch en de communistische invloed kan slechts door ‘indamming’ [containment] tegengehouden worden.'

 

Bron: George Kennan ('X'), "The sources of Soviet conduct", Foreign Affairs, juli 1947.

 

Henry Ford, over de lopende band, zegt in 1922:

 

'Geen arbeider moet ooit meer dan één stap zetten of voorover buigen. Gebruik glijkokers zodat de arbei­der na elke handeling het onderdeel altijd op de­zelfde plaats – zo dicht mogelijk in de buurt van zijn hand – kan plaatsen. Gebruik lopende banden waarop de onderdelen getransporteerd worden. Zo hoeft de arbeider zo min mogelijk na te denken en zo min mogelijk bewegin­gen te maken. Als het even kan, verricht iedere arbeider één handeling met slechts één beweging. Met machines is één man in staat meer te doen dan vier man­nen een paar jaar geleden deden.'

 

Himmler over de vergassing van Joden Poznan 1943

 

'Ook wil ik aan jullie hier, in alle openheid, een zeer moeilijk punt noemen. Het moet tussen ons besproken zijn, en toch zullen we nooit in de openbaarheid hierover spreken. Net zoals we op 30 juni niet schroomden om de ons bevolen plicht uit te voeren, en kameraden die in gebreke gebleven zijn tegen de muur te zetten en neer te schieten. Waarover we nooit gesproken hebben en waarover we ook nooit zullen spreken. Dat was godzijdank een aangeboren norm van ons, zelfbewustzijn van deze norm zodat we hierover nooit met elkaar gesproken hebben, nooit daarover spraken. Iedereen heeft het gezien en voor iedereen was het duidelijk dat we het de volgende keer weer zouden doen, wanneer het bevolen wordt en het nodig is. Ik bedoel de ‘evacuatie van de Joden’, het uitroeien van het joodse volk Dat zijn van die dingen die je zo makkelijk zegt. “Het Joodse volk wordt uitgeroeid”, dat kan ieder partijlid je vertellen: “Natuurlijk, staat toch in ons programma, we schakelen de joden uit, uitroeien, natuurlijk, doen we, ha! Kleinigheidje”. En dan komen ze allemaal, alle 80 miljoen brave Duitsers, en iedereen heeft zijn eigen fatsoenlijke joden. Men zegt: alle anderen zijn zwijnen, maar dit is een prima jood. En niemand heeft toegezien, het moeten doorstaan. Onder ons zullen de meeste weten wat het is als 100 lijken bij elkaar liggen, wanneer er 500 liggen of wanneer er 1000 liggen. En dit doorgestaan te hebben en daarbij – afgezien van enkele uitzonderingen als gevolg van menselijke zwakten – fatsoenlijk gebleven te zijn, heeft ons hard gemaakt en is een roemrijke bladzijde in onze geschiedenis die niet beschreven is en niet beschreven zal worden. Omdat we weten hoe zwaar we het zouden hebben, als vandaag in elke stad tijdens bombardementen, gedurende de druk van de oorlog en de ontberingen, we daarbij de joden ook nog eens hadden als geheime saboteurs, agitatoren en ophitsers. We zouden waarschijnlijk in hetzelfde stadium zijn als in de jaren ‘16/’17, wanneer de joden nog deel uitmaakten van het Duitse volk. De rijkdommen die ze hadden, hebben we hun afgenomen en ik heb het strikte bevel gegeven dat Obergruppenführer Pohl doorgevoerd heeft. We hebben deze rijkdommen volledig bezorgd aan het Rijk, de staat. We hebben niks daarvan voor ons zelf ontnomen. Enkele, die zich hier niet aan gehouden hebben, worden volgens een door mij uitgegeven bevel dat ik in het begin gaf [gestraft]: Wie ook maar één Mark daarvan neemt, is ten dode opgeschreven. Een aantal SS mannen hebben zich niet daaraan aan gehouden. Het zijn er niet zeer veel en zij zullen ten dode opgeschreven zijn – genadeloos! We hebben het morele recht, we hebben de plicht ten opzichte van ons volk om dit volk – dat ons wil ombrengen – om te brengen. We hebben echter niet het recht om ons ook maar met slechts een pels, met een mark, met een sigaret, met een horloge, met ook maar iets te verrijken. Dat hebben we niet. Omdat we niet willen dat aan het einde, wanneer alle bacillen uitgeroeid zijn, we door dezelfde bacillen ziek worden en sterven. Ik zal nooit toezien dat überhaupt ook maar een klein bederfelijk punt bij ons intreed of zich vastzet. Anders, wanneer het zich vastgezet heeft, zullen we het gezamenlijk uitbranden. Maar gezamenlijk kunnen we zeggen: We hebben deze zware opgave uit liefde voor ons volk gedaan. En we hebben geen schade in onszelf, in onze ziel, in ons karakter daaraan overgehouden'.        

 

Hoover over de New Deal

 

[Het is] de gruwelijkste aanslag op de geest van de vrijheid, die de natie sinds de dagen van het koloniale Amerika meegemaakt heeft.'

 

C.M.H. Bosch, Van Wilson tot Johnson (Kampen, zj).

 

Japans strooibiljet in Nederlands-Indië

 

Dringende waarschuwingen aan Nederlanders is Indië

 

Het Keizerrijk Nippon heeft zijn machtige strijdkrachten naar Indië gezonden. De huidige regeering in Indië is niets anders dan een groep marionetten van Engeland en van de Vereenigde Staten. Zij heeft geweigerd aan de opbouw van een gemeenschappelijke welvaartssfeer in Oost-Azië deel te nemen. Nippon wenscht dat een nieuwe regeering door de Indonesiërs gesticht worde, die bereid is met ons samen te werken.

Onze strijdkrachten zullen hen helpen die tot stand te brengen. Hierbij verklaar ik met den meesten ernst het volgende, dat iedereen heeft in acht te nemen:

1) De strijdkrachten van de Japansche marine, het leger en de luchtmacht zijn overweldigend superieur en binnen een paar weken zal de geheele Indische Archipel bezet worden. Daarom is nu alle tegenstand nutteloos.

2) Zij, die petroleum-bronnen, inrichtingen van oliebedrijven, olietanks en dergelijke vernielen of daarnaa een helpende hand bieden, zullen tezamen met hun familieleden en verwanten terstond doodgeschoten worden.

3) Schade toegebracht aan Japanners of Japansche bezittingen zal hondervoudig gewroken worden.

4) Hollanders die met Japansche Troepen willen samenwerken zullen voor hun leven beschermd worden en hun eigendommen voor altijd veilig gesteld blijven.

 

De Opperbevelhebber der Japansche Strijdkrachten.

 

Bron: Geschiedenis in documenten.

 

LIED DER ACHTTIEN DODEN

 

Gedicht van Jan Campert ter nagedachtenis van 18 verzetsmensen, die kort na de Februaristaking door de Duitse bezetters werden geëxecuteerd.

 

5 maart 1941

 

Een cel is maar twee meter lang

En nauw twee meter breed,

Wel kleiner nog is het stuk grond

Dat ik nu nog niet weet,

Maar waar ik naamloos rusten zal,

Mijn makkers bovendien,

Wij waren achttien in getal,

Geen zal den avond zien.

 

O lieflijkheid van lucht en land

Van Hollands vrije kust

Eens door den vijand overmand

Vond ik geen uur meer rust.

Wat kan een man, oprecht en trouw,

Nog doen in zulk een tijd?

Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw

En strijdt den ijd'len strijd.

Ik wist de taak, die ik begon,

Een taak van moeiten zwaar,

Maar 't hart, dat het niet laten kon,

Schuwt nimmer het gevaar.

 

Het weet hoe eenmaal in dit land

De vrijheid werd geëerd

Voordat die vloekb're schennershand

Het anders heeft begeerd,

Voordat die eden breekt en bralt

Het misselijk stuk bestond,

En Hollands landen binnenvalt

 

En brandschat zijnen grond;

Voordat die aanspraak maakt op eer

En zulk Germaans gerief,

Ons volk dwong onder zijn beheer

En plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn

Pijpt nu zijn melodie;

Zo waar als ik straks dood zal zijn,

De liefste niet meer zie,

En niet meer breken zal het brood

Noch slapen mag met haar,

Verwerpt al wat hij biedt of bood

Die sluwe vogelaar!

 

Gedenkt, die deze woorden leest

Mijn makkers in den nood,

En die hen nastaan 't allermeest,

In hunnen rampspoed groot,

Gelijk ook wij hebben gedacht

Aan eigen land en volk

Er komt een dag na elke nacht,

Voorbij trekt ied're wolk.

Ik zie hoe 't eerste morgenlicht

Door 't hoge venster draalt

Mijn God, maak mij het sterven licht,

En zo ik heb gefaald,

Gelijk een elk wel falen kan,

Schenk mij dan Uw gena,

Opdat ik heenga als een man,

Als 'k voor de lopen sta…

 

Marshallplan (1947)

 

In de slotzitting van een op 15 Oct. te Boston gehouden bijeenkomst der C.I.O. (een van de twee grote Amerikaanse vakverenigingen) heeft Marshall, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, sprekende over de buitenlandse politiek der Ver. Staten, verklaard, dat de regering alles zal doen wat "binnen haar beperkte macht" ligt, om tussentijdse hulp te verlenen, maar dat dit niet voldoende zal zijn. Marshall zeide, dat de V. S. thans vastbesloten strijden voor wereldvrede. Waar het thans in de kern om gaat, aldus Marshall, is de vraag, of de mens al of niet vrij zal worden gelaten om zijn sociaal, politiek en economische bestaan te organiseren in overeenstemming met zijn wensen, of dat zijn leven wordt geregeld en voorgeschreven door kleine groepen van mensen, die zich deze willekeurige macht hebben toegeëigend. Dergelijke machtstheorieën lijden volgens Marshall aan het grootste en oudste van alle historische euvelen: het denkbeeld, dat in de aangelegenheden van de mens het doel de middelen heiligt. Nadrukkelijk wees Marshall op de noodzakelijkheid van positieve tussentijdse maatregelen om een noodlottige achteruitgang van Europa, politiek, economisch en psychologisch, te voorkomen, zolang het Congres nog niet voldoende tijd heeft om een mogelijk plan op lange termijn voor Amerikaanse hulp te overwegen en uit te voeren.

 

Bron: Keesings Historisch Archief

 

Mussolini over de fascistische staat (1930)

 

'Het fascisme bestrijdt niet alleen het socialisme maar ook het geheel van democratische ideologieën en praktijken. Het ontkent dat de maatschappij kan worden geleid door het simpele feit van een getallenmeerderheid. Het ontkent dat de massa kan worden geregeerd door het feit dat men haar regelmatig laat stemmen. Het beweert dat er een onveranderlijke, vruchtbare en productieve ongelijkheid onder de mensen bestaat die niet op mechanische en uiterlijke wijze, zoals door het algemeen stemrecht, op eenzelfde peil kan gebracht worden. Democratische regimes zijn regimes waarbij men van tijd tot tijd aan het volk de illusie geeft dat het soeverein is, terwijl de ware en effectieve soevereiniteit bij andere, soms onverantwoordelijke en duistere machten berust'.

De filosofie van het fascisme (La dottrina del fascismo, in Enciclopedia Italiana)

"Zoals elk gezond politiek systeem is het fascisme tegelijk praktijk en idee. Het heeft derhalve een vorm die aan de omstandigheden van tijd en plaats is aangepast maar tevens een geïdealiseerde inhoud die het verheft tot een waarheid die thuishoort in de geschiedenis van de wijsbegeerte. Zo zou men veel van de praktische uitingen van het fascisme, zoals daar zijn de partijorganisatie, het opvoedingssysteem, de gevestigde orde, niet begrijpen wanneer men ze niet beoordeelt in het licht van zijn algemene levensbeschouwing. Deze levensbeschouwing is van geestelijke aard.

Voor het fascisme is de wereld niet de uiterlijke, materiële wereld waarin de mens een individu is dat apart van alle anderen leeft en beheerst wordt door een natuurwet die hem instinctmatig verplicht tot een leven vol zelfzucht en vergankelijke zelfvoldoening. De mens van het fascisme is als persoon in wezen één met natie en vaderland, met de morele wet die uit hoofde van traditie en roeping enkelingen en generaties aan elkaar hecht, die instinctmatige drang naar een leven van eigenbelang onderdrukt ten voordele van een hoger leven het leven van de plicht, verheven boven tijd en ruimte, het leven waarin de enkeling door zelfverloochening, door opoffering van zijn eigenbelang, desnoods de dood, opklimt tot het ware, geestelijke bestaan waarin zijn betekenis als mens schuilt.

Het gaat dus wel degelijk om een spiritualistische opvatting die is gegroeid uit de algemene reactie die in onze eeuw tegen het materialistisch positivisme van de vorige naar voren treedt. Het leven in de ogen van de fascist is ernstig, streng, godsdienstig, volkomen evenwichtig en zijn beslag krijgend in een wereld die is gebouwd op de morele en verantwoordelijke krachten van de geest. De fascist misprijst ‘het gemakkelijke leventje’. Als anti-individualistische idee is het fascisme georiënteerd op de staat maar ook op de enkeling in zover hij als universeel bewustzijn en universele wil van de mens in zijn geschiedkundig bestaan met de Staat samenvalt. Het bestrijdt het klassieke liberalisme, dat ontstaan is uit de behoefte op te komen tegen het absolutisme en dat zijn historische taak heeft volbracht sinds de Staat in het bewustzijn en de wil van het volk zelf is verankerd. Het liberalisme loochent de Staat in het belang van het afzonderlijke individu; het fascisme bevestigt de Staat als de ware werkelijkheid van de enkeling.

Daarom is voor het fascisme alles opgesloten in de Staat en is er niets menselijks of geestelijk, beslist niet iets dat waarde heeft, buiten de Staat. In deze zin is het fascisme totalitair en in deze zin is de fascistenstaat de vertolking, de synthese en een eenheid van alles wat waarde geeft aan het leven van het ganse volk en geeft hij daaraan kracht en ontwikkeling.

Er bestaan dus geen individuen buiten de Staat, evenmin als er groepen, politieke partijen, verenigingen, syndicaten, klassen bestaan. Daarom is het fascisme gekant tegen het socialisme. Binnen de grenzen van de ordescheppende Staat wil het fascisme de rechtmatige eisen tegemoet komen in het corporatieve systeem met zijn binnen de eenheid van de Staat onderling verzoende belangen.

Het fascisme is tegen de democratie die het volk identificeert met de meerderheid en het naar beneden haalt op het peil van de massa. Het is tegelijk een meer edele vorm van democratie die het volk benadert zoals het hoort, namelijk kwalitatief en niet kwantitatief. Het is de eerlijkste vorm van democratie omdat het fascisme de machtigste want meest morele, de meest samenhangende en waarheidsvolle gedachte vertegenwoordigt; het volk vindt die verwezenlijkt in het geweten en de wil van weinigen of zelfs van een enkele man die zich waar maakt in het bewustzijn en de wil van allen. De fascistische staat, zijnde een hoger en machtiger vorm van de persoonlijkheid, is kracht maar dan van geestelijke aard.

De Staat beteugelt het zedelijke en geestelijke leven van de mensen. Hij kan zich daarom niet beperken tot de elementaire taken van orde verzekeren en beschermen, zoals het liberalisme dat beoogde. Hij is niet zo maar een mechanisme dat de reikwijdte van de ingebeelde individuele vrijheden afbakent. Hij is de uiterlijke vorm en de innerlijke wet en een lering voor de mens in zijn totaliteit. Hij vervult geheel wil en geest. Alles bij elkaar is het fascisme niet enkel een wetgever en oprichter van instellingen maar ook opvoeder en inspiratiebron van het geestelijke leven. Niet het uitwendige maar het inwendige van het menselijk leven wil het hervormen, de mens zelve, zijn aard, zijn idealen. Daarom eist het tucht en een gezag dat binnendringt in de geesten en er geen weerstand ontmoet. Daarom is zijn symbool de lictorenbundel, zinnebeeld van eenheid, macht en rechtvaardigheid.'

 

Bron:P. Morren e.a., De Tweede Wereldoorlog. Een keerpunt in de geschiedenis. (Brussel, 1985).

 

Mussolini's dochter bezoekt Hitler? (1936)

 

Winschoter Courant, 12 juni 1936

 

'GRAVIN CIANO MISSCHIEN OOK BIJ HITLER OP BEZOEK.

Nazi’s zoeken nauwer contact

met het Italiaansche fascisme.

Uit Berlijn meldt de ,,Tel.’:

Naar verluidt, zal grain Ciano, Mussolini’s dochter die op ’t oogenblik te Berlijn vertoeft en in vele leidende nationaal-socialistische kringen met groote hartelijkheid wordt ontvangen en gefêteerd, in de eerstvolgende dagen ook door Hitler worden ontvangen. Deze bijzondere onderscheiding van de echtgenoote van den nieuwbenoemden Italiaanschen minister van Buitenlandsche Zaken trekt vooral de aandacht in verband met de jongste geruchten over pogingen, om tot een Italiaansch-Duitsche toenadering te komen.

Zonder op de ontwikkeling van de verhouding tusschen beide landen vooruit te loopen, kan wel gezegd worden, dat het verlangen in nationaal-socialistische kringen, in nauwer contact met den fascistischen staat van Mussolini te komen veel intenser is geworden nadat het vredesvoorstel van Hitler zoo weinig direct succes heeft gehad. In deze kringen hoopt men dan ook vurig dat de Italiaansche minister toch nog persoonlijk naar Berlijn zal komen om zijn echtgenoote af te halen, bij welke gelegenheid hij natuurlijk om met toonaangevende nationaal-socialistische politici zou samenkomen.'

 

NSB: Uit het partijprogramma:

 

'Voor het zedelijk en lichamelijk welzijn van een volk is noodig een krachtig Staatsbestuur, zelfrespect van de natie, tucht, orde, solidariteit van alle bevolkingsklassen en het voorgaan van het algemeen (nationaal) belang boven het groepsbelang en van het groepsbelang boven het persoonlijk belang. 

Inlichtingen zijn te bekomen bij het Hoofdkwartier Maliebaan 35, Utrecht, Telefoon 16541. Verder bij de ter plaatse gevestigde kring- en groepshuizen.'

 

Bron: Programma der Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland, december 1931.

 

NSB: Oproep aan fascistische vrouwen (1938):

 

‘Al dat grootsche dat mannen verrichten, het wordt in het hart der vrouw als in een schrijn bewaard en teruggegeven in de opvoeding zijner kinderen. De vrouw vormt of…bederft de kern van den staat – het gezin. Wanneer de vrouw de taak, haar door God gegeven, niet meer als haar plicht ziet, wordt zij tot wat zij nu is: een vat zonder inhoud, een bloem zonder vrucht, een boom die de enkele vruchten, die hij draagt, laat verrotten.
Hoe gaat het met het land, waarin de vrouwen slechts leven voor het genot en geen kinderen willen krijgen? Het gaat ten onder, innerlijk verrot. Het wordt een land van grijsaards, zwak en weerloos. Het wordt een land, welks oogst is opgeteerd en dat geen nieuwe ontvangt. De innerlijke kracht van de natie berust op de vrouw. Onder vooropzetting van het huwelijk, heeft ook de ongehuwde fascistische vrouw haar taak in het fascisme. Doch die taak zal een vrouwelijke zijn. Op het gebied van ziekenverzorging, steun aan behoeftigen, valt veel te doen. Op het gebied van zedelijkheid bevorderen en in stand houden nog meer.’

 

Bron: www.sprekendverleden.nl

 

 

Plannen voor een vliegtuigvlucht van Nederland naar Java (1923):

 

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1 november 1923

 

De plannen gereed.

 

Het plan is gerezene een vliegtocht te organiseeren van Nederland naar Java,met een Nederlandsch vliegtuig, bemand met Nederlandsch personeel. Tot dit doel heeft zich een comité gevormd, bestaande uit de volgende heeren Dr. C.J.K. van Aalst, president der Nederlandsche Handel Maatschappij, H. Cremer, president der Deli-Maatschappij, Sir Henry Deterding, president-directeur van de Bataafsche Petroleum –Maatschappij, A.H.G. Kokker, directeur der nederlandsche vliegtuigenfabriek, J. H. Hummel, directeur van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij , jhr. HLoudon, voorzitter der Koninklijke Nederlandsche Vereeniging voor Luchtvaart, A. Plesman, administrateur van de Koninklijke Luchtvaart-Maatschappij voor Nederland en Koloniën, W.Ruys,directeur van de StoomVaart-Maatschappij Rotterdamsche Lioyd,geneRaal b.d. C.J. Snijders, P.E. tegelberg, dirrecteur van de Stoomvaart-Maatschappij Nederland, A.N.J. Thomassen á Thuessink van der Hoop, vlieger bij de K.L.M het doel van dozen is niet uisluitend,en zelfs niet in de eerste plaats, het verrichten van een sportieve daad, hoe belangwekkend en beteckenisvol voor de technische ontwikkeling van het luchtverkeer deze ook moge zijn. Dat doel houdt veel meer verband met het vraagstuk der ontwikkeling van het wereld-luchtverkeer,zooals dit in de toekomst wordt tegemoet gezien.

 

Reactie op de Fulton-speech van Churchill (1947):

 

Harald Wallace, Minister van Handel van de Verenigde Staten 1946:

 

'Hoe harder wij worden, hoe harder de Russen worden'

 

'Om blijvende vrede te bereiken moeten we tot in detail bestuderen hoe het Russische karakter gevormd werd – door invasies van Tartaren, Mongolen, Duitsers, Polen, Zweden en Franse; door de interventie van de Britten, de Fransen, de Amerikanen in Russische staatszaken van 1919 tot 1921; en door de geografie van de enorme Russische landmassa, gelegen tussen Europa en Azië. Voeg hieraan toe de geweldige macht die het Marxisme de Russische leiders heeft gebracht – en dan zulle we ons realiseren dat we te maken hebben met een macht die niet succesvol in de hand te houden is met een 'Hard zijn voor Rusland'-politiek. 'Hard zijn' heeft nog nooit echt of langdurig effect gehad, noch voor pestende schoolkinderen, noch voor wereldmachten. Hoe harder wij worden, hoe harder de Russen worden. We moeten onze Ruslandpolitiek niet laten bepalen door mensen die oorlog willen met Rusland.'

 

Citaat in: ‘Dat is geschiedenis’. Werkgroep Implementatie Eindexamen Geschiedenis. (Baarn, 2000).

 

Wilhelmina bij haar troonswisseling in 1948:

 

Rede gehouden door Hare Majesteit Koningin Wilhelmina op 12 mei 1948 bij de aankondiging van de troonswisseling.

 

Land- en Rijksgenoten,Als den dag van gisteren herinner ik mij nog den 12den Mei 1889, toen het veertig jaar geleden was, dat mijn onvergetelijke vader in Amsterdam werd beëdigd en ingehuldigd.Waar ik U over het wederom instellen van het regentschap van mijn dochter en daarmede verband houdende plannen voor de toekomst wil spreken, meen ik daarvoor geen beteren dag te kunnen uitkiezen dan dezen op één jaar na honderdjarigen herinneringsdag. Overgroote vermoeienis, die noch mijn werk, noch mijn gezondheid ten goede komt en die onder den druk van de uitoefening van mijn zware taak geen kans krijgt over te gaan, noopt mij ten tweeden male mijn toevlucht te nemen tot een regentschap. Maar er is meer!

Er is de last van het klimmen der jaren, een achteruitgaan van veerkracht, weerstands- en arbeidsvermogen, van de krachten, welke den geest onontbeerlijk zijn voor het nemen van verantwoorde beslissingen in de diepgaande en ingewikkelde vraagstukken, die er in den tegenwoordigen tijd maar al te vele zijn. Voor deze nuchtere werkelijkheid ben ik gesteld en ofschoon ik mij steeds ten volle bewust ben, dat de mensch wikt en god beschikt, meen ik toch in het welbegrepen belang van U allen en van het Rijk te handelen door het Regeeringsbeleid toe te vertrouwen aan Juliana, die naast wijs inzicht ook haar leeftijd voorheeft en over jonge, frissche krachten beschikt. Het is op haar dringend verzoek, dat ik de troonswisseling uitstel tot begin van September. Zij overwoog hierbij geen teleurstelling te willen wekken bij hen, die mijn jubileum willen herdenken. Ik hoop, dat het mij gegeven zal zijn den 30sten Augustus de teugels van het bewind over te nemen tot na de feesten, om daarna afstand te haren behoeve te doen.Gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik eerst na rijpe overweging tot dit besluit gekomen ben en dat alleen Uw belang en mijn plichtsbesef den doorslag hebben gegeven. Vooraf heb ik het ingewikkelde samenstel van hangende vraagstukken aan mijn geest doen voorbijtrekken en zoowel deze als de zeer moeilijke tijdsomstandigheden trachten te peilen, ja ik heb alle gezichtspunten in beschouwing genomen, die daaruit kunnen voortvloeien.Al deze problemen hebben dit eene gemeen, dat zij nog langen tijd onze aandacht zullen vragen. Dus ben ik tot de slotsom gekomen, dat niet ik, doch een jonge kracht op mijn plaats moet medewerken om het zeldzame samenstel van problemen, die ons en de geheele menschheid in hun greep houden, tot een goede oplossing te brengen. Hoeveel zoude ik tot U kunnen zeggen op een dag als dezen, na al wat in den laatsten tijd door hoofd en hart is gegaan, maar dan zoude ik veel te veel geduld van U moeten vragen.Slechts wil ik U zeggen, dat mijn gedachten steeds zullen blijven uitgaan naar hen, die hun leven gaven in den strijd tegen den overweldiger, en naar al degenen, die nog lijden door wat zij verloren hebben. Wij moeten te zamen den geest overwinnen, die spreekt uit de handelingen en nalatigheden, welke in de jaren van oorlog en bezetting den weerstand hebben belemmerd en zelfs vele goede Nederlanders het leven hebben gekost, en die ook thans nog in ons volk rondwaart.Doch op dit oogenblik roep ik U met den meesten ernst toe: n dezen tijd van geweld en gevaar, sluit U nauw aaneen; eendracht en nog eens eendracht. De goede eigenschappen, die wij in en na den oorlog konden ontplooien, hebben buiten onze grenzen, bij allen, die van goeden wille zijn, waar ook ter wereld, vertrouwen en waardering gewekt.Dit vertrouwen en deze waardering zijn een kostbaar bezit, dat wij niet verloren mogen laten gaan door verdeeldheid of het vooropstellen van ons persoonlijk belang.Toont opgewassen te zijn tegen den grooten tijd, waarin wij leven, met een wijden blik voor het wereldgebeuren en met begrip voor het wezenlijke, waar het voor ons allen om gaat. En vervult zoodoende Uw plicht tegenover U zelf en tegenover het Vaderland, tegenover onze bondgenooten en de groote gemeenschap der volkeren.Gaat de toekomst tegemoet schouder aan schouder met Juliana. God zegene U en mijn geliefd kind.

 

Bron:  http://users.raketnet.nl/wagdslooijer/Rede%20Koningin%20Wilhelmina%201948.htm

 

Roosevelt op het Partijcongres (1932):

 

'Ik ben begonnen met de taken die voor ons liggen, door te breken met de absurde traditie, dat de kanidaat voorwendt niet op de hoogte te zijn met wat op de Conventie heeft plaatsgevonden, totdat hij enkele weken later formeel van zijn benoeming tot kandidaat-president op de hoogte is gesteld. U hebt mij benoemd en ik weet dat en ik dank u voor deze eer. Laat dit breken met een traditie symbolisch zijn. Laat het voortaan de taak van onze partij zijn, dwaze tradities te doorbreken. Ik wijd u en mijzelf aan een nieuwe aanpak (New Deal) voor het Amerikaanse volk.'

 

Bron: Geurts, Bronnenboek (Amsterdam 1971).

 

Roosevelt in zijn inaugurele rede (1933):

 

'Een groot aantal burgers worstelt om het naakte bestaan, een even groot aantal zwoegt zonder loon naar werken te krijgen. Alleen een dwaze optimist kan de sombere werkelijkheid van dit ogenblik ontkennen.'

 

Ceulaert en O. Feitsma, Kleio (Zeist 1975).

 

Roosevelt na de aanval op Pearl Harbor (1941):

8 december 1941:

Meneer de vice-president, meneer de voorzitter, leden van de Senaat en het Huis van Afgevaardigden: 

Gisteren, de zevende december 1941 – een datum die zal voortleven in schande – zijn de Verenigde Staten van Amerika plotseling en doelbewust aangevallen door de zee- en luchtmacht van het Japanse Keizerrijk. 

De Verenigde Staten waren in vrede met deze natie en, op het verzoek van Japan, nog in gesprek met haar overheid en keizer die naar het behoud van vrede in het Pacifisch gebied verlangden. Eén uur nadat Japanse luchteskaders begonnen waren met het bombarderen van het Amerikaanse eiland Oahu, hebben de Japanse ambassadeur voor de Verenigde Staten en zijn collega een formeel antwoord overgebracht op een recent Amerikaans bericht aan onze staatssecretaris. En terwijl dit antwoord aangaf dat het nutteloos scheen om de bestaande diplomatieke onderhandelingen voort te zetten, bevatte het geen bedreiging of aanwijzing van oorlog of van een bewapende aanval. Het dient vermeld te worden dat de afstand van Hawaï tot Japan het duidelijk maakt dat de aanval doelbewust vele dagen of zelfs weken geleden werd gepland. Gedurende de tussenliggende tijd heeft de Japanse overheid doelbewust getracht de Verenigde Staten te bedriegen met valse verklaringen en uitdrukkingen van hoop voor voortdurende vrede. 

De aanval gisteren op de Hawaiiaanse eilanden heeft ernstige schade aan Amerikaanse zee- en militaire krachten veroorzaakt. Ik betreur het u te vertellen dat zeer veel Amerikaanse levens zijn verloren. Bovendien is gemeld dat Amerikaanse schepen op de diepzee tussen San Francisco en Honolulu getorpedeerd zijn. Gisteren, lanceerde de Japanse overheid ook een aanval op Malaya. Afgelopen nacht, vielen Japanse strijdkrachten Hong Kong aan. Afgelopen nacht, vielen Japans strijdkrachten Guam aan. Afgelopen nacht, vielen de Japanse strijdkrachten de Filippijnse Eilanden aan. Afgelopen nacht, vielen de Japanners Wake Island aan. En vanochtend, vielen de Japanners Midway Island aan. Japan heeft hiermee een verrassingsoffensief ondernomen dat zich door het Pacifische gebied uitbreidt.

De gebeurtenissen van gisteren en vandaag spreken voor zichzelf. De inwoners van de Verenigde Staten hebben reeds hun mening gevormd en hebben de vanzelfsprekende gevolgen voor de veiligheid van onze natie goed begrepen. Als opperbevelhebber van het leger en de marine, heb ik opgedragen dat alle maatregelen ten bate van onze defensie worden getroffen. Maar onze gehele natie zal altijd het karakter van deze woeste aanval tegen ons herinneren. 

Hoelang het ook duurt om deze beraamde invasie te overwinnen, het Amerikaanse volk zal met al haar rechtvaardige kracht de totale overwinning behalen. Ik geloof dat ik de wil van het Congres en van de mensen juist interpreteer wanneer ik beweer dat wij ons niet alleen tot het uiterste zullen verdedigen, maar dat we duidelijk zullen maken dat deze vorm van verraderlijkheid ons niet nog eens in gevaar zal brengen. 

De vijandigheid bestaat. Er is geen onduidelijkheid over het feit dat onze mensen, ons grondgebied, en onze belangen in ernstig gevaar zijn. Met vertrouwen in onze strijdkrachten, met de onbegrensde vastberadenheid van ons volk, zullen wij de onvermijdelijke triomf bereiken — zo helpe ons God. 

Ik vraag dat het Congres, ten aanzien van de lafhartige aanval door Japan op zondag 7 december 1941, verklaart dat tussen de Verenigde Staten en het Japanse Keizerrijk een staat van oorlog ontstaan is.    

 

Bron: www.americanrhetoric.com

 

Silvia Parkhurst (1882-1960):

 

'Een man die bij ons in de buurt woonde in Ford Road kreeg van zijn werkgever te horen: 'neem dienst of ontslag'. Hij meldde zich en kreeg zijn training bij de kazerne van Tredegar Road. Zijn werkgever had hem vijf shilling per week beloofd als hij naar het front ging, maar tijdens de opleiding kreeg hij niets. Maar hij had wel zes kleine kinderen tussen tien jaar en acht maanden.'

 

S. Parkhurst, The Home Front.

 

Slotverklaring tijdens het Tribunaal van Neurenberg (1946):

 

Baldur von Schirach, leider van de Hitlerjugend, slotverklaring tijdens het tribunaal van Neurenberg  (31 augustus 1946):

 

'Op 24 mei legde ik hier een verklaring af waarvoor ik voor God en mijn geweten verantwoording afleg en waar ik volledig achter sta, zelfs tegen het einde van dit proces want die verklaring is in overeenstemming met mijn oprechte, innerlijke overtuiging.In zijn slotpleidooi verklaarde de Britse aanklager het volgende:"Schirach heeft miljoenen Duitse kinderen geïndoctrineerd zodat ze werden wat ze vandaag werkelijk zijn, willoze instrumenten van dat beleid van moord en overheersing dat deze mensen hebben gevoerd."Zou deze beschuldiging gerechtvaardigd zijn, dan zou ik geen woord zeggen voor mijn verdediging. Hij is echter niet gerechtvaardigd, hij is niet waar. Wie op enigerlei wijze de resultaten van het bewijsmateriaal tijdens dit Proces beziet en op waarde schat kan nooit, onder geen enkele voorwaarde, de beschuldiging tegen mij uiten dat ik "de jeugd door mijn opvoedkundige werk heb geïndoctrineerd en hun zielen vergiftigd."

 

De normen en waarden die ik voor de jeugd heb gesteld en die bindend waren voor de gemeenschap die zij op eigen kracht en onder mijn leiding hebben gevormd waren de volgende: zelf-opofferende liefde voor het vaderland, het te boven komen van sociaal snobisme en klassenhaat, gezondheidsbesef, lichamelijke oefening door middel van trektochten, spel en sport, het bevorderen van beroepsopleidingen en in het bijzonder een kameraadschappelijke verstandhouding met de jeugd uit andere landen. Al sinds mijn eigen jeugd heb ik deze normen en waarden voor ogen gehad als idealen voor een nationale Duitse opvoeding. Deze normen en waarden werden mij niet opgelegd door de Partij of door de Staat en als Hitler hier aanwezig zou zijn, zou dat voor mijn verdediging totaal onbelangrijk zijn want als Duits Jugendführer beroep ik mij niet op zijn gezag, maar op het mijne.

 

Deze opvoedkundige principes echter, duizenden malen aangetoond in al mijn toespraken, geschriften en richtlijnen en waaraan ik als Reichsjugendführer altijd trouw ben gebleven, zijn volgens mijn vaste overtuiging de principes van iedere jeugdleider die zich bewust is van zijn plichten jegens zijn volk en haar jeugd. De prestaties van onze jeugd en haar morele houding hebben mijn gelijk bewezen en bewezen dat de jeugd nooit was verdorven en ook niet door mij geïndoctrineerd. De Duitse jeugd was en is vlijtig en beschaafd, eerlijk en idealistisch. In vredestijd heeft ze eervol bijgedragen aan haar hogere opleiding, in oorlogstijd heeft ze moedig haar plicht gedaan jegens onze natie, voor ons vaderland, tot het uiterste.In dit uur, waarin ik voor de laatste keer het Militair Tribunaal van de vier overwinnaars kan toespreken, wil ik met een zuiver geweten het volgende namens onze Duitse jeugd bevestigen: de jeugd was geheel onschuldig aan de misbruiken en de ontaarding van het Hitler regime die tijdens dit Proces zijn aangetoond, de jeugd wenste deze oorlog niet en heeft noch in vredestijd, noch in oorlogstijd deel gehad aan misdaden.

 

Als leider van de Duitse jeugd gedurende vele jaren ken ik de ontwikkeling, de meningen en het gedrag van onze jongere generatie. Wie kan dat beter weten dan ik? Ik heb altijd vrienden gehad onder deze jeugd, in hun midden was ik altijd gelukkig en ik ben altijd trots op ze geweest.Ik weet dat ik in al die jaren dat ik Reichsjugendführer was de jeugd zich, ondanks dat het aantal leden in de miljoenen liep, uit principe en zonder uitzondering verre heeft gehouden van iedere actie waarvoor zij zich vandaag zou moeten schamen. De jeugd wist niets van de ontelbare wreedheden die door Duitsers werden begaan en net als zij niets van het slechte wisten, wensten zij het slechte ook niet. Het kan en mag niet worden vergeten dat zelfs in de bitterste periode, volgend op de oorlog, niemand kon overwegen de Duitse jeugdorganisatie en haar leiders als misdadig aan te klagen. Onbaatzuchtige kameraadschap binnen een jeugdbeweging die de grootste liefde voor de armste kinderen uit het volk toonde, trouw aan het vaderland, plezier in sport en een oprechte verstandhouding met de jeugd van andere landen, dat was het doel van onze jeugd en de inhoud van haar training vanaf de eerste tot de laatste dag van mijn tijd als Reichsjugendführer. Deze jeugd heeft het harde lot dat over haar is gekomen, niet verdiend. Mijn persoonlijke lot is van ondergeschikt belang, maar de jeugd is de hoop van onze natie.

 

En als ik in dit laatste uur een wens mag uitspreken is het deze: Wilt u, als rechters, helpen het verstoorde beeld van de Duitse jeugd te doen verdwijnen, dat op nog veel plaatsen op de wereld heerst en dat bij historisch onderzoek niet gehandhaafd kan blijven. Vertel de wereld in uw vonnis dat het smadelijk geschrijf van een Gregor Ziemer, dat door de aanklager is gebruikt, niets anders bevat dan de duivelse laster van een man die zijn haat jegens alles wat Duits is, ook heeft uitgebreid naar de Duitse jeugd. Wilt u, als rechters, ook helpen om de jeugdorganisaties in uw landen ooit hun samenwerking met de Duitse jeugd te laten hervatten vanaf het moment waarop dat, niet door de schuld van de jongere generatie, in 1939 werd onderbroken? Met een dankbaar hart heeft onze jeugd geluisterd naar de woorden van Lord Beveridge die met een vooruitziende blik en passie ervoor heeft gepleit, de Duitse jeugd onschuldig te verklaren. Vol blijdschap zal de jeugd de hand grijpen die haar over de ruïnes en de puinhopen wordt toegestoken.

 

Heren van het Tribunaal, dat u door uw uitspraak een bijdrage mag leveren aan de vorming van een sfeer van onderling respect onder de jongere generatie, een sfeer die vrij is van haat en wraak. Dat is mijn laatste verzoek, recht uit mijn hart namens onze Duitse jeugd!'

 

Bronnen:  International Military Tribunal, Nuremberg 1947

 

Soevereiniteitsoverdracht van Indonesië (1949):

 

Wet van 21 December 1949, houdende een voorziening in de zin van artikel 211 der Grondwet

 

WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

 

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat voor de aanvaarding van de resultaten van de Ronde Tafel Conferentie betreffende de wijze om werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit over te dragen aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië overeenkomstig de Renville-beginselen een voorziening in de zin van artikel 211 der Grondwet moet worden getroffen;

 

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

Artikel 1

 

De Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling betreffende de wijze om werkelijke, volledige en onvoorwaardelijke souvereiniteit over te dragen aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië overeenkomstig de Renville-beginselen, welke Mantelresolutie met ontwerp-overeenkomsten en briefwisseling door de Algemene Vergadering van de Ronde Tafel Conferentie te 's-Gravenhage op 2 November 1949 is aangenomen en in afdruk in Nederlandse en in Indonesische tekst en in Engelse vertaling nevens deze wet is gevoegd, wordt door het Koninkrijk der Nederlanden aanvaard.

 

Artikel 2

 

Wij dragen zorg, dat, echter niet zonder voorafgaand overleg met de Regering van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, hetzij bij de Commissie der Verenigde Naties voor Indonesië, hetzij bij een ander orgaan der Verenigde Naties, die stappen worden gedaan, welke naar Ons inzicht bevorderlijk kunnen zijn aan een volledig tot zijn recht komen van het zelfbeschikkingsrecht, gelijk dit is bedoeld in artikel 2 der Overgangsovereenkomst, behorende bij de in artikel 1 dezer wet vermelde Mantelresolutie.

 

Artikel 3

 

Deze wet, welke kan worden aangehaald als "Wet Souvereiniteitsoverdracht Indonesië", treedt in werking met ingang van de dag na die van haar afkondiging.

 

Bron: http://www.st-ab.nl/wetten/0798_Wet_souvereiniteitsoverdracht_Indonesie.htm

 

Sovjetpropaganda:

 

In de jaren 1930-34 vervulde de partij der bolsjewiki de moeilijkste historische taak van de proletarische revolutie na de verovering van de macht – het overbrengen van de miljoenen bedrijven van de kleine boereneigenaars op de weg van de kolchozen, op de weg van het socialisme.

 

De likwidatie van het koelakkendom als de talrijkste uitbuitersklasse en het brengen van de hoofdmassa van de boeren op de weg van de kolchozen, leidden tot de vernietiging van de laatste wortels van het kapitalisme in het land, tot het voltooien van de overwinning van het socialisme in de landbouw, tot de definitieve verankering van de Sowjet-macht op het platteland.

 

Nadat de kolochozen een reeks van moeilijkheden van organisatorische aard hadden overwonnen, consolideerden zij zich definitief en betraden zij de weg van het welgestelde leven.

 

Als resultaat van de vervulling van het eerste Vijfjarenplan was in ons land het onwankelbare fundament van het socialistische economie gebouwd in de vorm van een socialitische zware industrie van de eerste rang en de collectieve gemechaniseerde landbouw, was de werkloosheid opgeheven, de uitbuiting van de ene mens door de andere vernietigd en waren de voorwaarden geschapen voor de onafgebroken verbetering van de materiële en de culturele toestand van de werkers van ons vaderland.

 

 

 

Deze reusachtige successen waren door de arbeidersklasse, de kolchosboeren en alle werkers van ons land behaald, dank zij de stoutmoedige, revolutionaire en wijze politiek van de partij en de regering. De kapitalistische omsingeling, die ernaar streeft de macht van de USSR te verzwakken en te ondermijnen, versterk haar 'werk' ter organisering binnen de USSR van benden moordenaars, saboteurs en spionnen. In het bijzonder nadat de fascisten in Duitsland en Japan aan de macht gekomen zijn, wordt de tegenover de USSR vijandige activiteit van de kapitalistische omsingeling sterker. In de personen van de Trotskisten, de Zinowjewisten, verwierf het fascisme trouwe dienstknechten, die in naam van het herstel van het kapitalisme tot spionnage, sabotage, terreur, en diversie-daden overgaan en voor de nederlaag van de USSR werken.

 

 

 

De Sowjet-macht straft met vaste hand deze monsters in mensengedaante en rekent onbarmhartig met hen af, als met vijanden van het volk en verraders van het vaderland.

 

 

 

Uit: Geschiedenis van de Kommunistische Partij van de Sowjetunie onder redactie van het Centraal Comité van de CPSU.

 

 

Sovjetvisie op de strijd in de Partij na de dood van Lenin:

 

 

In 1977 werd in Moskou een uitvoerige ‘Geschiedenis van de CPSU’ in drie delen gepubliceerd. Het boekwerk was geschreven door een ‘auteurscollectief’. Over de strijd om de macht staat in het boek het volgende:

 

‘In 1927 werden in verschillende landen sovjetvijandige provocaties georganiseerd. Dit verzet van de kapitalistische krachten droeg bij tot de activering van het in 1926 ontstane partijvijandige Trotski-Zinovjev-blok, dat tegen de partijkoers van socialistische opbouw was gericht. De leiders van dit blok waren Trotski, Zinovjev en Kamenev. De hoofdeisen van de oppositie kwamen neer op het herstel van fracties en groeperingen binnen de Partij, het ondergraven van de partijeenheid, het ontkennen van de leninistische leer van de mogelijkheid tot het opbouwen van het socialisme in de USSR en het vervangen van leidende partij- en staatsfunctionarissen.(…) De 15de Partijconferentie (1926) ontmaskerde de mensjewistische aard van het Trotski-Zinovjev-blok volledig.Door hun handelingen bewezen de aanhangers van dit blok dat zij feitelijk de weg van de openlijke sovjetvijandige strijd waren ingeslagen. (…) Het 15de partijcongres (december 1927) bevestigde de uitsluiting van Trotski en Zinovjev uit de Partij en sloot verder nog 75 actieve opposanten uit, onder wie Kamenev en Radek. Dit besluit vestigde de eenheid van de Communistische Partij en bevorderde haar rol bij de socialistische opbouw.’

 

 

Stalin na de inval in de Sovjet-Unie (1942):

 

Stalin richt zich op 3 juli tot het Russische volk na de aanval op Rusland door Hitler-Duitsland:

 

Kameraden! Burgers! Broeders en zusters! Mannen van ons leger en onze marine! Ik spreek tot u, mijn vrienden!

De laaghartige aanval op ons vaderland, op 22 uni begonnen door Hitler-Duitsland, gaat door. Hoewel het Rode Leger heldhaftig verzet biedt, hoewel de beste eenheden van het vijandelijke leger en van de vijandelijke luchtmacht al zijn vernietigd op het slagveld, blijft de vijand opdringen door steeds nieuwe troepen in de strijd te werpen.

Ons land is in groot gevaar.

Hoe kon het gebeuren dat ons roemrijke Rode Leger aan aantal steden en districten in handen van het fascistische leger heeft moeten overgeven? Is het werkelijk waar dat de Duitse fascistische troepen onoverwinnelijk zijn, zoals onophoudelijk rondgebazuind wordt door de opschepperige fascistische propagandisten? Natuurlijk niet!

 

Toespraak minister-president Rutte bij herdenking capitulatie Japan:

 

Korte toespraak van minister-president Mark Rutte bij de 70e herdenking van de capitulatie van Japan, 15 augustus 2015.

 

Majesteit, mijnheer Wiebenga, dames en heren,

Zeventig jaar geleden capituleerde Japan en kwam er ook in Zuidoost-Azië een einde aan de Tweede Wereldoorlog.

Het is goed dat we dit bijzondere moment vandaag extra markeren.

Tegelijkertijd is dit ook de dag waarop we ieder jaar bij dit monument samenkomen om slachtoffers van de Japanse bezetting te herdenken.

Dat doen we omdat de oorlog in Indië en de moeilijke jaren die daarop volgden, tot op de dag van vandaag deel uitmaken van het persoonlijke verleden en de familiegeschiedenis van een grote groep Nederlanders.

Daaronder ook mijn familiegeschiedenis en ook daarom ben ik hier. Net als u.

Er is in die zeventig jaar veel gezegd en veel gedaan. Maar er is lange tijd ook veel niet gezegd en niet gedaan. Ik wil dat zeventig jaar na dato hardop uitspreken. Want het verhaal over de omgang met het Indische oorlogsleed is een moeilijk en pijnlijk verhaal.

De regelingen met de erkenning van achterstallige salarissen en geleden oorlogsschade lieten lang op zich wachten.

De acties hiervoor, de behandeling ervan en de uitvoering met formulieren, bezwaren en procedures raakten pijnlijk aan oude wonden en verdrongen herinneringen.

Zo verdwenen de goede bedoelingen van de regelingen naar de achtergrond. En daarmee is bij de Indische gemeenschap een gevoel van miskenning blijven bestaan over het gebrek aan begrip bij anderen voor de ondergane oorlogsverschrikkingen in Azië. Dat betreur ik.

Maar zeventig jaar na de Japanse capitulatie zijn we ons er meer dan ooit van bewust dat dit deel van onze geschiedenis blijvende aandacht en een actieve herinnering vraagt. Laat ons daar samen voor zorgen.

Laat ons ervoor zorgen dat het gevoel van onbegrip en het verdriet dat velen daarover hebben gehad of nog hebben, langzaam maar zeker wordt weggenomen.

Om te beginnen door deze jaarlijkse bijeenkomst bij te wonen, elkaar verhalen te vertellen en nieuwe generaties te betrekken bij dit deel van ons gezamenlijke verleden.

 

Dank u wel.

 

Bron: Rijksoverheid.nl

 

Toespraak van de Nederlandse SS er J.H. Feldmeyer, aan zijn manschappen ( 27 november 1943) :

 

'Deze grote Europese levensruimte, daarin zal worden gevonden, wat op zijn minst noodzakelijk is voor het voortbestaan en voor het leven onzer volken. In deze Europese grote ruimte, in deze gesloten ruimte der Europese Gemeenschap zal nu echter de Germaanse mens voor de zoveelste keer de historische zending hebben te vervullen. Want ook de gebeurtenissen van de laatste tijd, ik denk dan ook aan Italië, hebben ons toch wel duidelijk gemaakt, dat het in laatste instantie de Germaanse mens is, die leiding zal moeten geven en die dit geheel vast in de hand zal moeten nemen, militair, ekonomisch,, hoe, organisatorisch, zoals u maar wilt. Daarom zal de Germaanse mens, in engere zin zich vindend in dat groot-Germaanse rijk, zijn taak moeten vervullen en zal dit groot-Germaanse rijk van morgen, dat om voleinding en naar vorm vraagt en zoekt, zal dit groot-Germaanse rijk zijn zending in Europa moeten vervullen. Tot dit groot-Germaanse rijk, tot deze Europese en daarmede wereldzending van de Germaanse mens is het ook, dat wij ons als nationaal-socialisten bekennen'.

 

Bron: www.sprekendverleden.nl

 

Tekst van de avonduitzending van 5 mei 1945 op Radio Oranje:

 

(Bob) den Doolaard:
"En thans herdenken wij hen, die het pistool of het woord hanterend als wapen, in een nacht van vijf jaarlang, brandend hielden: de fakkel van het Verzet! Wij herdenken de schrijvers en verspreiders der ondergrondse pers die liever stierven dan dat zij logen. Wij herdenken hen die de herbergzaamheid beoefenden tegenover onze bondgenoten, en die God thans herbergt. Wij herdenken de eenvoudigen, de namelozen die stille daden deden welke door de geschiedenis nimmer zullen worden genoemd. Wij herdenken onze tienduizenden Joodse medeburgers, vermoord; zoals alleen déze vijand vermoorden kon."

Loe de Jong 5 mei 1945 op Radio Oranje:

"Nederland ons Vaderland. Het land dat allen voor ogen stond die de ogen sloten: de bossen van Brabant en de Veluwe, de weiden van Holland en Utrecht, de meren van Groningen en Friesland, de Zeeuwse stromen, Limburgse heuvels, de boerderijen van het Oosten, bezige steden van het Westen; de hoofdstad: mijn Amsterdám. 
En meer en uitstijgend boven dit alles, wat Nederland door de eeuwen heen betekend heeft als geestelijk begrip: het land van Rembrandt, van Erasmus en 'De Zwijger', van Hugo de Groot en Thorbecke, van Kuyper, Troelstra en Schaepman. ..
Hoe schone erfenis, hoe zware verantwoordelijkheid torsen wij, wien het geschonken wordt het Vaderland óp te bouwen. .. 
Onze gemeenschappelijke taak is het in Nederland te brengen: gerechtigheid, moed en levensvreugde. Het te maken tot een land van ernst en blijdschap, van mijmering én aanpakken. Met de naam die klinkt als een klok, waarvan het zingen de aarde omgolft en zich verliest in de hemel. 
Zo en zo alleen zijn wij de offers waardig, voor óns gebracht. Zo zullen wij de bede vervullen die het bloed der martelaren schreef op de bodem van het verdrukte Vaderland."

George Sluizer:
"(Dit) is het einde van deze avonduitzending van Radio Oranje, op de eerste dag van het bevrijde Nederland! Voor allen in Vaderland en Koninkrijk: Goede Moed! En voor allen op zee in het bijzonder: Behouden Vaart en Goede Wacht!! Nederland is herrezen!!''

 

Bron: http://www.zuidelijkewandelweg.nl/tijdtijn/herrijzendnederland.htm

Fragment van een veelgehouden speech van Mussert:

 'Denk er om er is een toekomst mogelijk. Een Toekomst voor uw Volk !! Zo groot en zo mooi !! Alsnog nooit voor dien tijd !! Want een nieuw Europa !! Het volks Europa wordt geboren in bloed en tranen in dezen tijd. Om deze toekomst met dit volk te bouwen. Om uw daarvan te doordringen, uw dat te bespreken, dat was het doel van deze bijeenkomst !! Waant uw uwzelf op te geroepen en ga d`r uit aan de kante van ons land !! En wees op uw plaats een man en een leider en doe daar hetgeen wat gedaan moet worden voor uw kameraden, voor uw volk. En denk daarbij zoweinig aan u zelve.Houzee mijne Kameraden' 

Mussert over het lidmaatschap van joden van zijn NSB:

‘De NSB is principieel niet antisemietisch. De toestanden zijn hier te lande op dit punt nu eenmaal geheel verschillend met die in Duitsland.” Nederland kent een gehele categorie van Nederlandse Joden ….. die Nederlands voelt, denkt en in wezen Nederlands is, maar er is ook een grote, zeer grote groep Joden die … vooraanstaan in de bestrijding van onze beweging. […] Die zijde zult gij, Joodse NSB’ers, voor de voeten geworpen krijgen dat gij … heult met de vijand van uw ras… Uw antwoord kan eenvoudig zijn: Juist wij zijn het die door mede te werken aan de NSB… daadwerkelijk tonen dat het nationaal-socialisme in Nederland niet antisemitisch behoeft te zijn en te worden… Gij hebt uw plaats in onze gelederen uit volle overtuiging ingenomen, blijft deze plaats waardig en ge zult voldoening hebben, uw plicht te hebben gedaan tegenover al onze volksgenoten ondanks verdachtmaking en hoon.’ 

Mussert: Fragment van een verkiezingstoespraak voor de radio van Anton Mussert (1935):

‘Onder leiding van de regenten, voortgekomen uit alle politieke partijen, is de verwording hand over hand toegenomen. Wij vormen geen volk meer, maar een onchristelijke horde van elkander in klassen- en partijstrijd bevechtende individuen, voorzover zij niet futloos en willoos, met over elkaar gekruiste armen, wachten op hun maatschappelijke en nationale ondergang, die onherroepelijk komen moet, en dus komen zal, wanneer niet de besten van ons volk bereid zijn om op hun sterke schouders de natie naar een nieuwe toekomst te voeren. Dit is het doel van de NSB: de strijdorganisatie te worden van het zedelijk en lichamelijk krachtigste deel van het Nederlandse volk.

Op tientallen vergaderingen heeft Anton Mussert, leider van de NSB de volgende woorden gesproken:

‘Wij willen leven in een gezonde, gereinigde atmosfeer. Wij willen weer een volk worden, een gemeenschap met idealen en waar gerechtigheid zal heersen. Daarom ten strijde tegen de afbraak van de natie, de klassestrijd, de volksvergiftiging, het parlementaire systeem.’ 

Mussert op 4 april 1940 tijdens een redevoering in het Concertgebouw in Amsterdam:

‘De wil om het kapitalisme te overwinnen, deze wil wordt voortdurend kapot gemaakt, gebroken waar men kan. En overal komt die weer op, want hij is niet meer te breken, omdat de weg daartoe nu voor ons openstaat. Wij hebben gezien dat de weg der democratie daartoe niet leidt, dus de weg der volkseenheid is de weg die wij doelbewust betreden. Het gaat zoals ik u zei, in deze tijd, in deze grote, geweldige tijd, als de strijd met het kapitalisme en socialisme. Niet het socialisme in den ouden vorm van klassenstrijd en van het internationaal proletariaat, maar het socialisme, welke oorspronkelijk bedoeld is als het woord het zegt: gemeenschapszin, in en door een volk. Het nationaal-socialisme dat wil belijden is niet anders dan hetgeen het woord zegt. Nationaal: in en door een volk. Socialisme: gemeenschapszin.’

Mussert: Fragment van de eerste nota van Anton Mussert aan de Führer Adolf Hitler  (27 augustus 1940): 

‘Het Nederlandsche volk is in staat een millioen man op de been te brengen, die voor de Weermacht zeer geschikt zijn. …….Wanneer de tijd daar is, dat het Duitse Volk expansie naar het Oosten behoeft. Dan zullen Nederlandse soldaten zich als goede Germanen gedragen en met vreugde de ereschuld betalen, die nog op het Nederlandsche volk zou rusten.’  

Mussert: Viering van het tienjarig bestaan van de NSB in Pulchri Studio in Den Haag, waarbij Mussert een toespraak hield over de Volkse Kunst en Kultuur ( 10 december 1941):  

‘…. Het volk moet zijn gebondenheid aan zijn ras en aan zijn bodem weer bewust worden. Het moet zich op natuurlijke wijze organiseren, het moet zijn plichten en zijn rechten weer leren kennen. Het moet in harmonie en eensgezindheid zijn bedrijfs- en gemeenschapsleven weer inrichten. Zijn denken en zijn handelen moeten zich richten naar de wetten der schepping en dan zal ontstaan die vrijheid in gebondenheid, die nodig is om tot een nieuwe stijl te geraken (..). Van hoog naar laag, Europa, de Germaanse statenbond, de Nederlandse staat, die een Germaanse nationaal-socialistische staat zal zijn, die zal niet absoluut zijn, maar zal zorg dragen dat in de vorming van waarlijk nieuwe gewesten nieuwe opbloei zal komen. De verscheidenheid van aard, tussen ons Nederlanders, is niet iets dat ons bedroeft, evenmin als het bedroeven zal de Duitser zijn verscheidenheid, maar die verscheidenheid behoort tot de rijkdom van het Germaanse wezen. De verscheidenheid: hier in het westen, Hollanders en Zeeuwen; daar in het noorden, Friezen, Groningers, Drenten; daar in het oosten, Overijselsen, Geldersen; daar in het zuiden, Limburgers en Brabanders.Een rijke verscheidenheid, in gewesten, in streken, in dorpen, in steden. En ten slotte moet het zo zijn, wanneer het goed is, dat ieder onderdeel zijn eigen roeping volgt, maar de gebondenheid volkomen beseft en bereid is daarnaar te handelen.’

Op 30 maart 1943 is een deel van een gesprek tussen Mussert en de eerste Nederlandse Oostfront-vrijwilliger afgeluisterd en in een rapport vast gelegd. Een fragment hieruit:

Mussert zei: ‘ Wij zijn Nederlanders en wij willen geen Duitsers worden. Van gelijkberechting komt in Nederland niets terecht. Ik word herhaaldelijk door de SS voor de gek gehouden… Als men spreekt van het Germaanse Rijk, dan bedoelt men het Duitse Rijk en wil men Nederland inlijven. Als dat gebeurt, zal het slechts over mijn lijk zijn.’  

Mussert voor zijn partijkader in Utrecht (5 juni 1943): 

‘… de Grootgermaanse politiek die ik altijd heb voorgestaan en, die naar mijn vaste overtuiging, de Führer van a tot z wil, gaat uit van een zelfstandig Nederlands volk. Sommigen willen dat wij Duits gaan voelen en Duits gaan spreken. Ik heb echter nog nooit een Duitser ontmoet die Nederlander wilde worden…. Het Nederlandse standpunt dat ik vertegenwoordig, luidt: voor de Grootgermaanse politiek alles, voor de Grootduitse politiek niets.’   

Bronnen:

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1 en 7 (Den Haag 1969).

Bolhuis (ed.), Onderdrukking en Verzet, dl. 2 (z.j. Amsterdam). 

Met dank aan: www.sprekendverleden.nl    

 

Troepen naar Nederlands-Indië:

 

Op 24 September is de "Boissevain" met ongeveer 3000 man van de "Zeven December"-divisie uit de Amsterdamsche haven vertrokken. Nadat het op 21 Sept. te Amsterdam reeds tot ongeregeldheden was gekomen, waarbij een burger werd gedood, werd op 24 Sept. in verschillende bedrijven te Amsterdam en Zaandam een proteststaking geproclameerd tegen het uitzenden van troepen naar Ned.-Indië. De actie werd door de C.P.N. gesteund. De staking begon te Amsterdam bij de Gemeentetram en sloeg weldra naar andere bedrijven over.

 

Bron: Keesings Historisch Archief

 

Twee delen uit Trumans rede tot het Amerikaanse Congres op 12 maart 1947:

 

‘[…] Eén systeem berust op de wil van de meerderheid en wordt gekenmerkt door vrije instellingen, representatieve regeringen, vrije verkiezingen, gewaarborgde vrijheidsrechten, vrijheid van meningsuiting en godsdienst en vrijwaring van politieke onderdrukking, Het tweede systeem berust op de wil van de minderheid, die met dwang aan de meerderheid wordt opgelegd. Het berust op terreur en onderdrukking, censuur van pers en radio, onvrije verkiezingen en de onderdrukking van het individu.

[…] Ik geloof dat het de politiek van de Verenigde Staten moet zijn, steun te verlenen aan vrije volkeren die zich verweren tegen pogingen tot onderwerping door gewapende minderheden of door druk van buiten.’

 

Uit een liedje van Louis Davids:

 

"Als je voor een dubbeltje geboren bent

Bereik je nooit een kwartje

Of je Grieks, Latijn of twintig talen kent

Gerust, het leven tart je.

Je verbeeldt je dat je aan de touwtjes trekt

Maar ach, het noodlot smijt je heen en weer,

Als je voor een dubbeltje geboren bent

Bereik je nooit een stuiver meer."

 

Bron: http://www.onsverleden.net/

 

Uit een NSB-dagboek (citaat, mei 1940):


‘Het doet pijn dat juist onze grenzen worden geschonden door een staat die nu juist in politiek opzicht zo mijn belangstelling had. Ik voelde mij bedrogen, ik voelde mij alsof een goede kennis die ik in zijn levenshouding moeilijk een groot gedeelte mijner sympathie kon onthouden, mij een geducht pak slaag had toegediend en dan nog wel geheel zonder aanleiding, geheel zonder waarschuwing, neen dat had ik niet verwacht. Het viel mij ongelofelijk tegen. Dit viel niet goed te praten.’

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl: 3 (Den Haag 1969).

 

Vergissing van Troelstra (1918):

 

Tijdens een toespraak in Rotterdam sprak Troelstra, vooruitlopend op het buitengewone congres van SDAP en NVV op 16 en 17 november 1918, de volgende woorden:

"Grijpt de macht, die u in de schoot geworpen wordt en doet wat gij moet en kunt doen… Wij maken een revolutie omdat het kan en moet. Wij zullen dus zondag de gewichtige vraag hebben te bespreken of wij zullen overgaan tot een opperste raad van arbeiders en soldaten voor het hele land en van plaatselijke raden. Hebben wij daartoe besloten, dan is die raad vanaf dat ogenblik het opperste gezag van het land."

Na Troelstra’s toespraak zat de schrik er goed in. Kapitein van Woelderen, hoofd van de inlichtingendienst GSIII schreef op 12 november 1918:

"Ik maakte vanmiddag in de beambtenloge de zitting van de Tweede Kamer mede, het historische moment, waar Troelstra de revolutie preekte onder mededeeling, dat het groote partijcongres te R'dam zaterdag zal besluiten, hoe de medegedeelde plannen praktisch zullen worden uitgevoerd. Wij hebben vandaag op GSIII aan tal van goede vrienden in het leger geschreven om juiste inlichtingen omtrent stemming en betrouwbaarheid in het leger. GSIII verandert nu van inlichtingendienst voor buitenland thans voor binnenland. Ik acht den toestand hoogst gevaarlijk door de werkeloosheid en apathie van alle andere partijen."

 

Verslag van de Spaanse Burgeroorlog (De Standaard, 31 januari 1938)

 

Spanje

 

Zware luchtaanvallen op Barcelona

 

Honderden slachtoffers.

 

Barcelona 30 jan. (reuter/A.N.P.).-

 

Vandaag is het centrum van Barcelona tot tweemaal toe door een zestal vliegtuigen van Franco gebombardeerd. In totaal kwamen ongeveer veertig bommen op de stad terecht. Naar schatting zijn twee- tot driehonderd personen gedood en ook het aantal gewonden is groot.

 

Linksch offensief in estremadura.

 

Poging om rechtsch gebied te splitsen.

 

Valencia, 29 januari (havas). Na voorbereidingen, welke eenige dagen hebben geduurd, zijn de regeeringstroepen aan het front van estremandura gisteren tot den aanval gegaan in de richting van Villafranca de los Barros, een van de sterkste posities welke de rechtschen in dezen sector bezet houden en waarvan Merida het centrum vormt.

 

Het front van estremadura. Strekt zich over een lengte van 300 km uit.

 

De rechtschen, die zich te Medellin, Castuera en Don Benito verstrekt hebben, nemen hier een positie in, welke vergeleken kan worden met die van Teruel. De volksfronttroepen willen, door een gecombineerde actie probreeren het geheele door Franco bezette gebied in twee deelen te snijden, zooals de rechtschen de steden Valencia en Barcelona van elkaar hebben gescheiden. De linksche troepen hebben een verbinding tot stand gebracht tusschen Andalusie en estremadura, hetgeen hen instaat stelt krijgsverrichtingen op groote schaal te ondernemen.

 

Verslag Partij-congres NSDAP (De Telegraaf, 6 september 1938):

 

Een stampvol Neurenberg verbreidt het partij-congres. Oostenrijks terugkeer het ,,Leitmotiv”. LICHTELIJK NERVEUZE AANVANGSSFEER. 

(Van onzen specialen verslaggever).

NEURENBERG, 5  sept. – De opening van het tiende partijcongres van de Nationaal Socialistische Duitsche Arbeiderspartij, is voorafgegaan door een Maandag van onmiskenbare spanning. Het congres valt samen met het tijdstip, waarop men algemeen het antwoord  verwacht op de vraag, hoe de Cechoslovaaksche republiek zich zal moeten reorganiseeren om levensvatbaar te blijven en haar Studeten-Duitsche minderheid te bevredigen.

De veronderstelling, dat Adolf Hitler zijn partijgenooten een oplossing op het congres zal willen presenteren – en het liefst in den vorm van een triomf voor Duitschland – lag voor de hand. Zelfs wanneer dit de wensch van den Führer niet geweest is, en ook wanneer een zoo spoedige afsluiting der onderhandelingen tusschen de Studeten-Duitsche partij en de Cechische regeering onmogelijk is gebleken, bestaat de kans, dat de onderhandelingen tijdens het congres met resultaat worden bekroond.

Het congres is daarom zenuwachtig. Als het niet nerveus was, zou het groote kans hebben, het te worden.

,,De wereld kijkt naar Neurenberg,” gelijk de Duitsche bladen den feestgangers niet verhelen.

 

Vrouwen in Groot-Brittannië op de arbeidsmarkt:

 

Percentage vrouwen 1914 1918

Verpleging 100 100

Onderwijzers 73 82

Horeca 48 66

Drukkerijen 31 41

Posterijen 24 53

Banken, beurs 5 43

IJzer en staal 1 11

Bouw 1 7

Scheepsbouw 1 7

 

Aantal werkende vrouwen

3,3 miljoen 4,9 miljoen

 

Uit: D. Thom, 'Woman and work in wartime Britian', in: R. Wall, J. Winter (eds.), Te upheaval of war.

 

Waarom Stefano Miele in 1907 emigreerde:

 

'Als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat ik Italië verliet en naar Amerika ben gekomen, uitsluitend om rijk te worden. Noch de wetgeving in Italië, noch die in Amerika, noch de regeringsvorm van Italië, noch die van Amerika hebben daarbij een rol gespeeld.

 

In Italië heb ik geen last gehad van politieke onderdrukking. Ik ben trouwens ook niet naar Amerika gekomen uit politiek idealisme. Eigenlijk beviel het me best in m'n geboorteland. Als ik daar ook als advocaat naam had kunnen maken, zou ik niet weggegaan zijn. Dat lukte niet en Amerika is hetland van de grote mogelijkheden. Ik denk dat de meeste Italiaanse emigranten dezelfde redenen hebben gehad om hiernaar toe te komen.'

 

S. Miele, Confessions, blz. 12.

 

Weer aan het werk (Noord Ooster, 20 mei 1940):

 

Het leven herneemt z'n rechten. Na de droevige week, die achter ons ligt, moeten we weer vooruit zien en de handen uit de mouwen steken om verder voort en op te bouwen. het bedrijfsleven moet weer op gang komen. Daaraan helpe ieder, naar de mate van zijn kunnen mee. Het Leven gebiedt verder te gaan en duldt geen stilstaan. Men geve werk zooveel men kan, opdat allen aan den arbeid kunnen blijven. In onze steden en dorpen kan men gaandeweg het dagelijksch levensbeeld weer aanschouwen. In de winkels wordt weer verkocht; scholen zijn heropend; de post gaat weer rond; bruggen zijn hersteld en versperringen opgeruimd. Theaters, bioscopen, cafe's en restaurants hebben hun deuren weer ontsloten en de sport staat weer in het teeken der belangstelling. Ook ons bedrijf herneemt zijn gewonen uiterlijk. De post brengt weer correspondentie. De telefoon klingelt weer en wellicht zal ook weldra het gerikketik van het Telex-apparaat worden vernomen. Laat de handel en ieder die meent iets bekend te moeten maken, dit doen en ons zijn advertenties inzenden. Van allen wordt veel gevraagd; laat het saamhorigheidsgevoel, waarop wij steeds zoo prat gaan nu dubbel tot uiting komen. Vinde ieder zijn taak en zijn plaats en bouwe ieder naar vermogen verder. De blik vooruit en aan het werk!

 

Weimar-Republiek: De Duitse schrijver Hans Ostwalt (1931):

 

'Terugdenkend aan de jaren van de inflatie komt een beeld van een hels carnaval voor ogen: plunderingen en rellen, demonstraties en confrontaties, winstbejag en smokkel, honger en vreetpartijen, plotselinge armoede en even zo snelle rijkdom, manische danspartijen en ellende voor kinderen, materialisme en religieus verval, gokken, speculeren, scheiden, vrouwenemancipatie, jazz en verdovende middelen […].

Alles leek op zijn kop te staan. […] Toen kwam er een eind aan de inflatie. De nachtmerrie verdween. Het Duitse volk herstelde zich. Het creëerde uit het niets een stabiele munt. Het bouwde de economie opnieuw op. […] De hele verziekte sfeer van overdreven erotiek, misdaad en inflatie verdween als sneeuw voor de zon.'

 

Bron: H. Ostwalt, 'A moral history of the inflation', in: A. Kaes, e.a., The Weimar Republic source book.

 

Woningnood in Nederland:

 

In 1945 waren 90.000 woningen totaal verwoest, 50.000 woningen zwaar beschadigd en 500.000 woningen licht beschadigd. Bovendien was de jaarproduktie van voor de oorlog van 43.000 woningen per jaar gedaald naar 8.000 woningen per jaar (met als dieptepunt 1945/46 met in totaal een kleine 2.000 woningen). Eind 1945 werd het woningtekort geraamd op ruim 100.000 woningen, in 1949 werd het tekort geschat op ruim 250.000 woningen. In 1949 steeg de woningproduktie voor het eerst weer boven de 40.000, in 1956 werd de halfmiljoenste naoorlogse woning opgeleverd'.

 

bron: Marijke van Schendelen en Marijke Storm, naoorlogse woonwijken in Tijdschrift voor Vrouwenstudies 50