Hoe werd je een ridder?

Als iemand ridder wilde worden, moest hij tenminste 15 jaar oud zijn. Op de dag van de ridderslag nam hij een bad, waarmee hij zich symbolisch reinigde van alle zonden. De rest van de dag en nacht verbleef hij al biddend in een kapel van een kasteel. In de ochten biechtte hij, woonde een mis bij en luisterde naar een preek. Daarna overhandigde hij zijn zwaard aan een priester, die dit zegende en vervolgens werd het overhandigd aan degene die de jongen tot ridder zou slaan.

 

De jongeman knielde neer en aan hem werd de vraag gesteld: 'Om welke reden wenst gij tot ridder te worden geslagen? Indien gij het wenst om uzelf te verrijken of roem te behalen, dan zijt gij het ridderschap niet waardig.' De jongeman legde zijn rechterhand op de bijbel en legde de riddereed af.

 

Vervolgens trok hij zijn fraaie kleren uit en hulde zich in volle wapenuitrusting; harnas, kleed en sporen. Tenslotte kreeg hij een zwaardschede. Met zijn helm onder de arm knielde hij opnieuw voor een ridderslag. Met de platte kant van zijn eigen zwaard werd hij door zijn heer 3 keer tegen de rechterwang en op de rechterschouder geslagen. De heer zei dan: 'In de naam van de Almachtige God, van Sint-Michael en van Sint-Joris sla ik u tot ridder. Wees dapper, trouw en vrijgevig.'

 

Hierna werd het paard van de jonge ridder de kapel binnengehaald. De ridder zette zijn helm op, stak zijn zwaard in de schede en besteeg zijn paard. Hij kreeg een lans in de hand gedrukt en verliet de kapel.

 

De riddereed luidde als volgt:

 

1 Ik zweer dat ik alle lering van de Heilige Kerk zal aanvaarden en dat ik mij aan al haar geboden zal houden.

2 Ik zweer dat ik de Kerk zal beschermen

3 Ik zweer de zwakken te zullen beschermen

4 Ik zweer dat ik mijn geboortegrond zal liefhebben

5 Ik zweer dat ik nooit voor een vijand zal vluchten

6Ik zweer dat ik tot mijn dood tegen de ongelovigen zal strijden

7 Ik zweer dat ik mijn plichten tegenover mijn vorst zal nakomen, zoalang deze niet in strijd zijn met de goddelijke geboden

8 Ik zweer dat ik nooit zal liegen en dat ik immer mijn woord gestand zal doen

9 Ik zweer dat ik vrijgevig zal zijn en ruim van harte tegenover iedereen

10 Ik zweer dat ik altijd voor het recht te zullen strijden en onrecht en kwaad te zullen bestrijden